Dit is wat Van Dale erover zegt: 10:24 Oct 14, 2010
compter1 [kɔ̃te] (onovergankelijk werkwoord; >)
1 tellen
▲ context
à compter de
vanaf
compter beaucoup (pour)
erg belangrijk zijn (voor)
compter de tête
uit het hoofd rekenen
compter double
dubbel tellen, tweemaal zo zwaar tellen
compter peu (pour)
niet zo belangrijk zijn (voor)
(schertsend) dépenser sans compter
uiterst vrijgevig zijn
se dépenser sans compter
geen inspanning ongedaan laten
compter sur les doigts
op zijn vingers tellen
2 meetellen
in tel zijn, belangrijk zijn, gelden
▲ context
les gens qui comptent
de mensen die meetellen
compter pour du beurre
niet meetellen, voor spek en bonen meedoen, niet veel in de melk, pap te brokk(el)en hebben
(informeel) compter pour des prunes
als sluitpost dienen, niet van belang zijn
(sport) compter pour le championnat
meetellen voor de competitie
3 rekening houden (met)
gewicht toekennen (aan)
▲ context
compter sans
geen rekening houden met, veronachtzamen
4 (+ sur)
rekenen op
vertrouwen op, zich verlaten op
▲ context
(informeel; schertsend) compte là-dessus (et bois de l’eau (fraîche))
dat kun je beter vergeten, dat kun je op je buik schrijven
¶ idioom
compter parmi, au nombre de
behoren tot, |